Afb. 1 Buurtschap De Papiermolen

 

Afb. 2 Situatie 1736

In 2017 werd voor de aanleg van de zuidelijke ringweg ter hoogte van het Julianaplein een nieuwe rioolsleuf aangelegd, waarbij het oude buurtschapje ‘De Papiermolen’ (zie afb. 1) weer even onder de aandacht kwam. Op grofweg de plek van het huidige zwembad heeft tot 1843 namelijk een papiermolen gestaan. De werkers – lompensorteerders, scheurders en papierscheppers – waren gehuisvest op het terrein en bleven er na de afbraak van de molen nog geruime tijd wonen.  Ook de eigenaar van de molen had er een woning en op oud kaartmateriaal is te zien dat er ook (sier) tuinen bij het complex hoorden. De archeologen namen in hun onderzoek ook deze molentuin mee (zie afb. 2).

De archeologen tekenden in de rioolsleuf, die dwars over het terrein van de molen liep, verschillende sporen van (resten van) gebouwen,  waterputten en een vijver op  (zie afb. 3). Van de papiermolen zélf kwam slechts een kelder, een beerput en een lading  vurenhouten snippers tevoorschijn, maar resten van het buurschap kwamen volop naar boven. Dankzij onderzoek naar (vaak) minuscule zaden en andere plantenresten uit waterputten en grondsporen krijgen we toch een  beeld van hoe deze bijbehorende molentuin er meer dan 250 jaar geleden uit moet hebben gezien.

Afb. 3 rioolsleuf. Bron: MUG.

 

Afb. 4 siertuin

Water in de tuin

Tuinen, zeker de wat grootser aangelegde siertuinen werden vaak van waterelementen voorzien zoals siervijvers, maar ook visvijvers. Plantenresten blijven in een natte omgeving vaak goed bewaard en konden bij het archeologisch onderzoek daarom goed worden verzameld en geanalyseerd. Wat groeide er nu in zo’n molentuin?

Er werden maar liefst 13 soorten waterplanten aangetroffen, waarvan sommige een zeer decoratieve functie hebben en in een siertuin niet zouden misstaan (afb.  4) . Een voorbeeld hiervan is pijlkruid oftewel Sagittaria sagittifolia (afb. 5),  met zijn opvallende pijlvormige bladeren en witte bloemen met paarse stip. Ook waterdrieblad  (Menyanthes trifoliata) kon de vijverrand sieren met zijn roze franjebloemen. De aangetroffen zuurstofplanten zoals eendenkroos en waterranonkel, en resten van insecten die in zoet water leven gaven verder aan dat de vijvers een gezonde waterhuishouding hadden. Dit wordt nog ondersteund door de vondst van een cocon van visbloedzuiger, die alleen in zoet visrijk water voorkomt.

Behalve deze sierplanten zijn ook eetbare planten aangetroffen, zoals  postelein, witte mosterd en framboos, die in de tuinen in de 18e eeuw zullen zijn verbouwd. Naast eetbare planten werden ook resten van hennep gevonden. Van de vezels van deze planten kon touw worden gemaakt. Een andere gebruiksplant uit deze periode die op het terrein werd gevonden is wouw. Deze plant kan gebruikt zijn voor verfstoffen.

Afb. 5 Pijlkruid

 

Afb. 6 Boekweit

Na de afbraak van de molen

De grote centrale vijver op het terrein (zie afb. 3) werd na de afbraak van de molen in 1834 gedempt, maar de bewoners van het buurtschap bleven. En ze bleven tuinieren.  De tuinen kregen langzamerhand wel steeds meer het karakter  van een nutstuin. Er is aardappelzaad teruggevonden (zie afb. 7) en uit de waterputten die bij deze periode hoorden kwam ook  boekweit ( afb. 6), selderij en postelein. Ook (bos) aardbei, kers, pruim, framboos , vijg, braam werden in de moestuintjes in redelijke mate verbouwd. Ook groeide er hazelaar, okkernoot (walnoot) en hondsroos. Voor het eerst zijn in de gemeente Groningen doornen van rozen in een archeologische context teruggevonden. De vondst van rozen past dan weer bij ons romantische beeld van het buurtschapje, waar het leven ongetwijfeld hard moet zijn geweest.

 

Afb. 7 Aardappelzaad